Doodzonde

Doodzonde. Afscheid van een vader. Een briesje. Een vlaagje. Een windje. Een zucht. Een vage herinnering gedragen door de lucht. - Ivy Pelkmans - Zielspraak. Schrijven vanuit het hart

De zomer van 2020 dooft zachtjes uit. De grote hitte is gaan liggen. Het schoolleven is opnieuw gestart. Voor sommigen met mondjesmaat, voor anderen aan een oud en vertrouwd ritme. Oef. Een klein beetje normaal in deze abnormale tijden. Het mag. Het is meer dan welkom.

Ook mijn kinderen gaan terug naar school. De jongste naar het eerste leerjaar, de oudste naar het vierde. Het doet hen duidelijk deugd: samen spelen, kennis verwerven, het klasgebeuren, het ochtendritme, … Het werd hoog tijd. Het creëert rust en stabiliteit. En structuur. En daar ben ik ontzettend dankbaar voor. De zomer bracht immers opnieuw veel verandering. Voor hen. Voor mij. Voor ons kleine wereldje.

Want afscheid nemen, hoe doe je dat? In deze coronatijden vaak met een elleboog. Of een kushandje. En binnen onze bubbel -soms- dan toch met een voorzichtige knuffel. Maar hoe neem je écht afscheid? Voor altijd? Geen tot ziens, maar een vaarwel. Hoe doe je dat? En hoe neem je afscheid van iemand die je al ruime tijd niet meer zag of sprak? En wat als die iemand je vader is?

“Maar hoe neem je écht afscheid? Voor altijd? Geen tot ziens, maar een vaarwel. Hoe doe je dat? En hoe neem je afscheid van iemand die je al ruime tijd niet meer zag of sprak? En wat als die iemand je vader is?”

Een paar weken geleden leerde ik, ongewild, het antwoord op al die vragen. Mijn grootvader, een lieve, warme man van 86, belde me met de boodschap dat mijn vader stervende was. Nog geen maand ervoor was hij 63 geworden. Drieënzestig. En nu lag hij in coma. Vergevorderde levercirrose. En terminale kanker. Dat ook. Diezelfde dag nog stierf hij. Het was voorbij. Zijn leven was voorbij.

Al zeventien jaar kruisten onze paden niet meer. Al zeventien jaar was hij uit mijn leven en liepen onze werelden los van elkaar. Als jonge meid van net geen 21 had ik hem het huis uit zien vertrekken, na een veel te lange, tragische strijd tussen mijn ouders. Het contact met hem viel weg. De rust keerde terug. Doorheen de jaren werd hij meer en meer een vage schim uit een ver verleden waar ik niet meer naar terug wilde. Mijn studies, mijn afstuderen, mijn carrière, mijn coming-out en zoektocht naar een vrouw, mijn eerste liefde, mijn huwelijk, de geboorte van mijn kinderen, mijn relatiecrisis, mijn scheiding, mijn nieuwe liefde, … Niets van dat alles heb ik met hem gedeeld. Mijn zoontjes heeft hij nooit gezien. Mijn huis nooit betreden. En nu was het… te laat. Doodzonde. Dood. Zonde.

“Mijn zoontjes heeft hij nooit gezien. Mijn huis nooit betreden. En nu was het… te laat. Doodzonde. Dood. Zonde.”

Het nieuws van zijn dood liet me niet onberoerd. Even vloeiden tranen over mijn wangen. Niet vanuit een diepe treurnis of gemis. Wel vanuit een soort compassie. Diep vanbinnen was mijn vader een zachte man met een goed hart. En drank, zijn trouwe metgezel, had hem meer en meer doen vervreemden van zichzelf. Wat overbleef was een verdoofde ziel in een verdord lichaam. Een man die niet ten volle had geleefd. Een gemiste kans. Een tragisch tafereel. En tegelijkertijd ook mijn vader. Ik stak een kaars aan en maakte tijd om alsnog met hem te praten. Hardop. Alleen. In de stilte van mijn huis, nam ik afscheid van een verre, vertrouwde vreemde.

Een week later, op de sobere begrafenis die ik samen met mijn broer had geregeld, nam ik nogmaals afscheid. Geen uitgebreide dienst. Geen echte viering. Geen toeters en bellen. Gewoon een kort moment van samenzijn op de strooiweide, zoals mijn vader dat klaarblijkelijk gewild had. Het is vreemd om afscheid te nemen van iemand die al langere tijd ‘weg’ is. Mijn tranen bleven uit. Er was een soort aanvaarden. Een soort van rust in mezelf die ik niet kan verklaren. Zijn ziel is bevrijd en mag aan een nieuw avontuur beginnen. We spraken elkaar niet meer en toch is alles al gezegd. Ik bleef nog een tijdje staan kijken -als laatste- naar het gras, de blauwe lucht en de wolken… Naar de plek waar zijn assen een laatste rustplaats vonden en speels meegenomen werden door de lucht. Een dikke traan rolde over mijn wang. Mijn hart fluisterde ‘dag papa’.

“Ik bleef nog een tijdje staan kijken […] Naar de plek waar zijn assen een laatste rustplaats vonden en speels meegenomen werden door de lucht. Een dikke traan rolde over mijn wang. Mijn hart fluisterde ‘dag papa’.”

Gisteren ben ik zijn wagen gaan ophalen. Die zal nu verkocht worden. Het was erg bevreemdend om in zijn stoel te gaan zitten, zijn gordel om te doen en zijn sleutel in het contact te stoppen. Om zijn stuur vast te nemen. Daarnet reed ik door de carwash en toen ik zijn handschoenkastje opende, vond ik een oude foto van mij en mijn voormalig gezinnetje. Het verraste me. Al die tijd lag die foto in zijn auto. Hoe vaak had hij naar die foto gekeken? Hoe vaak had hij naar mij gekeken? Een foto in de auto van een man die er niet meer is. Mijn vader. Op de foto zelf een gezin dat niet langer bestaat. Mijn gezin. Het raakt. Dubbel. Plots was hij alsnog heel even heel dichtbij. Vreemd. En het is ok. We zijn altijd daar waar we horen te zijn.

Ik stap uit zijn auto, open de garagepoort en wandel de keuken binnen. Ik kus mijn liefde en toon haar de foto. ‘Zat in zijn handschoenkastje,’ zeg ik en meer woorden zijn niet nodig om te mogen verdwijnen in haar stevige knuffel.

Tabula Rasa
Verder. Zonder jou
Drempelvrees
Thuiskomen
Rouw
Polariteit
Fantoompijn

Jouw mening telt!